De Jodenvervolging in Zwolle 1940-1945

De Jaren '30 - Joodse gemeenschap - Antijoodse maatregelen - Razzia's - Deportatie en onderduik - De kampen -
Na 1945
- Literatuur


De jaren '30
Tijdens de jaren '30 groeide de spanning in Europa. De machtsovername en de antijoodse maatregelen in nazi-Duitsland deden de onrust in joodse kring toenemen, vooral toen vanaf 1938 de stroom joodse vluchtelingen sterk groeide en de oorlogsdreiging toenam. Of zoals de jonge joodse Zwollenaar Nico Herschel (1915-1943) het in 1939 in zijn dagboek verwoordde: "Deze weken zijn vreeselijker dan het gevaar zelf, dat men in dien tijd vreest. Juist dat wachten, die spanning (...) maakt de mensen gek. (...) Omringd zijn wij door daemonen, die slechts onzen ondergang willen. Opperrabbijn S.J.S. Hirsch (1882-1941) nam in Overijssel het voortouw tot de hulp aan de vluchtelingen. Ook joods Zwolle nam zijn deel in de hulp aan de evacuťs. In mei 1938 woonden er 31 joodse vluchtelingen in de stad.

Joodse gemeenschap
Op 10 mei 1940 kwam dan een eind aan de spanning die zich over de jaren had opgebouwd. Nederland werd bezet door Duitse troepen. Uit een telling blijkt dat er na 1 januari 1940 ruim 800 joden in Zwolle woonden, waarvan 30 gemengd gehuwden. Tot die 800 behoorden 121 buitenlandse joden, de meesten uit Duitsland, die voor 10 mei 1940 naar Nederland waren gevlucht.Het is niet zo, dat de joodse gemeenschap op enig moment werkelijk ca. 800 leden telde. Zo groeide de groep door de aankomst van bijvoorbeeld evacuťs uit de kustgebieden, die in verband met de oorlogssituatie werden ontruimd. Rabbijn Hans Andorn en zijn gezin vestigden zich daarom in oktober 1940 in Zwolle, komende van Den Haag. Verder schommelde het aantal natuurlijk door geboortes en sterfte. Zo stierf opperrabbijn Hirsch na een slepende ziekte op 11 augustus 1941 en werd twee dagen later op de joodse begraafplaats in Berkum begraven. Ook vertrek uit Zwolle was van invloed op de omvang van de groep. Het Duits-joodse vluchtelingetje Millie Strausz verhuisde bijvoorbeeld in november 1940 naar Apeldoorn en Arthur Ruben, na de Kristallnacht met zijn gezin uit Essen gevlucht, vertrok nog op 25 september 1941 naar ArgentiniŽ, met achterlating van zijn vrouw en dochter. Ten slotte zou de joodse gemeenschap door deportaties en onderduik slinken, tot er in het voorjaar van 1943 niet meer van een joodse gemeenschap of gemeente sprake was.

Antijoodse maatregelen
Daarvoor was het joodse volksdeel al in toenemende mate gestigmatiseerd en geÔsoleerd. Verschillende antijoodse maatregelen volgden elkaar vanaf het najaar van 1940 op. In willekeurige volgorde volgen er hier enkele: joodse ambtenaren werden geschorst en ontslagen, joodse gemeenteraadsleden werden uit hun functie ontheven, joden moesten zich per formulier bij de gemeente melden, joden mochten niet meer in parken en andere openbare gelegenheden komen, zij mochten niet meer naar de veemarkt, zij moesten radio's en fietsen inleveren, op hun persoonsbewijs kwam een 'J' te staan, zij moesten een gele Davidsster dragen, joodse kinderen moesten onderwijs volgen op speciaal daarvoor gestichte joodse scholen in de Voorstraat en aan de Thorbeckegracht, joden mochten geen eigen bedrijf en kapitaal meer bezitten, zij mochten alleen door joodse artsen geholpen worden en er werd zelfs een joods ziekenhuis gevestigd in de Voorstraat. Naast deze officiŽle vernederingen en afzondering, werden joden soms ook het slachtoffer van antijoods gedrag van hun medeburgers. Enkele malen werden de ruiten van joodse winkeliers beklad met 'Jood' of 'Jude'. De bovengenoemde maatregelen suggereren een snel opeenvolgende reeks met een doorzichtig doel. Feitelijk verliep het proces veel sluipender, zodat de maatregelen meer op zich zelf leken te staan en niet onderdeel uitmaakten van een bewust geplande ontwikkeling.
De gele Davidsster (Jodenster)

Razzia's
Dreigender werd het gevaar toen de bezetters overgingen tot razzia's, het instellen van werkkampen en het deporteren van joden. Op 22 en 23 februari 1941 werd in Amsterdam de eerste grote razzia gehouden waarbij ca. 400 jonge joden werden opgepakt. Daarbij was ook de 25-jarige Henri Zilverberg uit Zwolle die voor zaken in Amsterdam was. Pogingen van de Zwolse burgemeester Van Karnebeek om hem vrij te krijgen haalden niets uit. Via Buchenwald werd de groep arrestanten naar Mauthausen gedeporteerd, waar Henri Zilverberg op 16 september 1941 stierf. Hij was het eerste Zwolse slachtoffer van de jodenvervolging. Een soortgelijke razzia in Zwolle in oktober 1941 had nauwelijks succes. Door de oud-commissaris van politie Lettinck gewaarschuwd dook een grote groep joodse mannen onder en slechts vijf van hen werden gearresteerd. Na verloop van tijd werden zij echter vrijgelaten. Medio november waren bijna alle mannen weer teruggekeerd, maar voor enkelen was dit het begin van hun definitieve onderduik.
Borden die bijvoorbeeld voor winkelruiten hingen
Deportatie en onderduik
In augustus 1942 vertrok een eerste groep van enkele tientallen joodse mannen naar een werkkamp in Sint-Johannesga bij Heerenveen. Enige tijd later volgde het vertrek van groepen joden naar Friesland en Dalfsen. Voor sommigen was dit het moment om te gaan onderduiken. Bij Ati en Nico Noordhof in de Zwolse P.C. Hooftstraat - waar aan het eind van de oorlog veertien joden verborgen zaten - waren op dat moment de eerste joden al enkele maanden ondergedoken. Op vrijdag 2 oktober 1942 werd bekend dat de mannen van de werkkampen naar Westerbork zouden worden overgebracht. Een groot aantal van hun gezinnen moest zich die avond melden bij het gymnasium aan de Veerallee om eveneens naar Westerbork te worden vervoerd. Het zou de eerste grote deportatie van Zwolse joden worden. Vanuit Westerbork ging een groot deel vrijwel direct door naar Auschwitz om daar 10 dagen na vertrek uit Zwolle te worden vermoord. In de daarop volgende maanden zouden verschillende groepen hen volgen.Op 6 april 1943 werd bekend, dat alle joden - uitgezonderd de gemengd gehuwden en zogenoemde half- en kwart-joden - Overijssel en Gelderland uiterlijk op 10 april moesten hebben verlaten. Op 8 en 9 april werden nog 79 joodse Zwollenaren gedeporteerd. Nog enkele joden woonden op dat moment in de stad: de gemengd gehuwden, vijf personen waarvan de afstamming niet bekend was, enkele zieken en een vertegenwoordiger van de Joodsche Raad met zijn gezin.

De kampen
Het overgrote deel van de joodse gemeenschap was daarmee vertrokken. Hen wachtte een gruwelijk lot in de concentratie- en vernietigingskampen. De meesten van hen vonden daar de dood; soms meteen na aankomst, soms na maanden afgebeuld, ondervoed en mishandeld te zijn.oewel het lot van de gedeporteerden schijnbaar niet bekend was, moet er toch iets bekend geworden zijn over het lot van de gedeporteerden. Immers de eerste doodsberichten drongen al in het najaar van 1941 tot Zwolle door. En voor de goede lezer moet de brief van Lineke Pinas - die in Auschwitz-Birkenau terecht was gekomen - aan haar tante Bella Anholt een vingerwijzing zijn geweest. De brief bereikte deze tante pas na de oorlog, maar was tot die tijd in bezit van een vertegenwoordiger van de Joodsche Raad in Zwolle. Op 26 november 1942 schreef Lineke aan haar tante: "Lily und Mimi sind bei der Schwester von Sia gekommen und ich hoffe dass es ihr gut gefšllt. Auch Bep ist da und vielleicht geh ich auch schon schnell darhin. Sia is Sophia Hendrika de Vries, haar zuster de in 1940 overleden Lea Sophia. Wat de schrijfster hier dus in bedekte termen aangeeft, is dat haar tante Lily, Mimi en Bep inmiddels zijn overleden. Kennelijk heeft zij de in Zwolle achtergebleven familie willen waarschuwen. Voordat de brief in Zwolle aankwam, waren haar moeder, broer, zuster, grootouders en tante al ondergedoken. Lineke Pinas werd volgens de officiŽle gegevens op 31 maart 1943 te Auschwitz omgebracht.


Een persoonsbewijs met een "J" van een Joodse inwoner van Zwolle.

Onderduiken
Voor de onderduikers was ondersteuning vanuit de niet-joodse bevolking van groot belang. Onderduiken bracht ook gevaren en problemen met zich mee voor degenen die joodse onderduikers in huis namen. Bij ontdekking liepen zij het risico op deportatie of de dood. Onvoorzichtig gedrag van de onderduikers kon niet getolereerd worden. Andere problemen waren die van geboorte en dood. Zo zijn in Zwolle drie gevallen bekend waarbij kinderen te vondeling werden gelegd. Het ging hier steeds om joodse kinderen, zo bleek later. In de hoop dat hun kind het noodlot zou ontlopen of omdat de onderduiksituatie het niet toeliet, zagen de ouders zich genoodzaakt hun kind af te staan. Bij sterfgevallen bestond het probleem van de begrafenis. Dit kon niet via de gebruikelijke wegen geschieden en moest dus heimelijk gebeuren.

Problemen
Een probleem van geheel andere aard was de voedselvoorziening. Er bestond immers een distributiesysteem. Via het verzet en de landelijke organisatie voor hulp aan onderduikers kon men aan de benodigde bonnen komen. Ook nu was voorzichtigheid weer geboden. Het zou immers te opvallend zijn als men meer kocht dan voor het eigen gezin noodzakelijk was. De familie Noordhof loste dit probleem op, door bij verschillende winkeliers te kopen en bovendien een volkstuin te bewerken. Tenslotte was het ook van belang enig vermaak te hebben. De onderduikers konden immers het huis niet verlaten. De onderduikers aan de P.C. Hooftstraat hielden zich daarom onder andere bezig met het vervaardigen van illegale bladen, het huishouden of met ontspanning in de vorm van culturele avonden.

Na 1945
Uiteindelijk zouden ruim 240 joodse Zwollenaren de oorlog overleven. Samen met de achtergebleven gemengd gehuwden vormden zij een zowel fysiek als geestelijk geslagen gemeenschap. Na de bevrijding bleek het moeilijk de draad weer op te pakken, aangezien velen alles kwijt waren geraakt en zij hun bezit soms niet meer terug kregen van de Zwollenaren aan wie zij hun goederen ter bewaring hadden toevertrouwd. Nog steeds is er een joodse gemeenschap in Zwolle, zij het een kleine. In de gerestaureerde synagoge werden in 1995 ter herinnering aan allen die niet terugkeerden uit de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog een monument opgericht: alle 499 namen werden vastgelegd op plakettes. Opdat nooit vergeten word, wat hen is aangedaan.

© Jaap Hagedoorn

Literatuur

Herinneringsboek Joods Zwolle 1940-1945, David Stibbe en Jaap Hagedoorn red. (Zwolle 1995)
N.C. Noordhof, 'Joodse onderduikers in P.C. Hooftstraat 18 te Zwolle' in Zwols Historisch Jaarboek 3 (1986) 88-115
C.R. Ribbens, Bewogen jaren. Zwolle in de Tweede Wereldoorlog (Zwolle/Kampen 1995)
Iet Vierstraete-Erdtsieck, De Jodenvervolging in Zwolle. Geschiedenis van de Joden te Zwolle tussen 1933 en 1946 (Wezep 1985)