|
Ondanks
de donkere tijden
Veertien onderduikers - Atie en Nico Noordhof - Joodse onderduikers - Schuilplaats - Eten - Spanning en ontspanning - Gevaren - Bevrijding - Yad-Vashem onderscheiding - Bronnen |
|
![]() |
|
|
Onderstaande
regelen vormen het grootste gedeelte van een reeks brieven, die ik onmiddellijk
na onze bevrijding in 1945 aan mijn broer, sinds 1941 in Amerika wonende,
schreef. Dit zijn de op het eerste gezicht weinig spectaculaire openingszinnen
van een verslag dat Nico Noordhof schreef over de jaren waarin hij en
zijn vrouw Atie in hun huis aan de Zwolse P.C. Hooftstraat onderdak gaven
aan veertien joodse onderduikers. Dat huis was een gewoon rijtjeshuis
in een van de toenmalige nieuwe wijken van de stad. En die veertien onderduikers
zaten niet na elkaar, maar tegelijkertijd in dat huis.
|
|
|
|
|
|
Zo
te zien was er niets bijzonders aan de bewoners van P.C. Hooftstraat 18.
Nico Noordhof was in mei 1940 veertig jaar oud en werkte bij provinciale
waterstaat. Zijn vrouw Atie was 36 jaar en gaf muziekles. Bij hen in woonde
Atie's vader, Johan Bartel, die kapper en pruikenmaker was. Atie en Nico
hadden een harmonieus huwelijk, een diepe geestelijke band. Veel tijd
werd besteed aan kunst en muziek, aan lezen en aan gesprek. Twee mensen
die elkaar goed aanvoelden en aanvulden, maar elkaar ook vrij lieten.
'Nico was koel, beheerst maar met een diep zielenleven. Atie was zijn
ideale tegenhanger, spontaner, luchtiger soms. Om stoffelijke dingen gaven
ze weinig', zo kenschetste één van hun onderduikers hen na de oorlog.
|
|
|
|
|
|
Al
voor de oorlog had Nico kennis gemaakt met Zwolse joden. Hij had op kamers
gewoond bij de familie Koopman aan de Jufferenwal. Toen de oorlog uitbrak,
waren hij en Atie optimistisch over de uiteindelijke uitkomst: Duitsland
zou zeker verslagen worden.Minder
optimistisch waren zij over het lot van de joden. Het begon met kleine
pesterijen, zo schreef Nico. Een joodse kennis, Arie Brandon, was radio-reparateur.
Als jood mocht hij geen radio meer bezitten in de loop van 1941, laat
staan in huis hebben om te repareren. Dat deed hij dus sindsdien bij Atie
en Nico thuis. Hij bouwde er vele radio's om voor de korte-golfontvangst,
waarop de Engelse zenders beter te beluisteren waren. En toen in oktober
1941 de eerste razzia tegen de joden gehouden werd, doken twee joodse
Zwollenaren tijdelijk bij hen onder. Het was het begin van een periode
van ruim drie jaar, waarin het aantal onderduikers zou groeien. Aanvankelijk
meenden Atie en Nico plaats te hebben voor zeven onderduikers. Op 14 april
1945 doken er zoals bekend uiteindelijk veertien op. Maar in de tussentijd
werd ook nog tijdelijk onderdak verleend aan vier anderen. Dries
van Loggem was degene die in april 1942 als eerste voor langere tijd kwam
onderduiken: hij zou tot het eind van de oorlog blijven. Hij was een neef
van Nol van Boele, de verloofde van Koopman's dochter Klaartje. Ook Koopman
en zijn dochter Klaartje, Van Boele en vijf leden van de familie Caneel
(schoonfamilie van een andere dochter van Koopman) zouden volgen evenals
anderen. Nooit zeiden de Noordhof's nee als er onderduikers elders in
de problemen waren. Ze overlegden wel met hun onderduikers of er plaats
was voor meer. Eén keer weigerden de onderduikers, toen Atie een baby
in huis wilde nemen: het was te riskant en zou te zeer opvallen als er
babyspullen gekocht moesten worden.
|
![]() |
|
|
|
|
Natuurlijk
mocht het niet opvallen, dat zoveel mensen in één huis woonden. De slaapkamers
boven werden ingericht en op zolder werden provisorische schuilplaatsen
gemaakt die bij een oppervlakkige controle niet opvielen. 's Avonds moesten
de gordijnen dicht om te voorkomen, dat het lamplicht de onderduikers
zou verraden. Een belsysteem werd aangelegd bij de kapstok, zodat de onderduikers
snel naar hun schuilplaatsen konden verdwijnen als er ongenode gasten
kwamen of er ander gevaar dreigde. Zoals die keer, dat een zuster van
Nico onverwacht langskwam. Ze bleef twee nachten en een dag, zonder dat
ze wist dat er nog meer mensen in huis waren dan de drie die ze kende.
Het moet een kwelling geweest zijn voor de onderduikers niet meer vrij
rond te kunnen lopen in het huis. En neem alleen maar eens de sanitaire
problemen die zo'n onverwacht bezoek met zich meebracht. Ook werd er een
systeem ontwikkeld om zo snel mogelijk de extra bedden weg te werken als
er controle zou komen.
ltijd
moesten de bewoners van het huis voorzichtig zijn: niet te veel lawaai,
want dat zouden de buren kunnen horen of voorbijgangers op straat. Nooit
naar buiten, behalve 's nachts in het pikkedonker met een donkere jas
aan. 'Het deprimeerde me meer dan binnen zitten de hele dag. Ik heb toen
gezegd: "Ik nooit meer', zo vertelde een van de onderduikers later. De
schijnvrijheid van even buiten zijn, was erger dan binnen te moeten blijven.
|
|
|
|
|
|
Een
van de grootste problemen was om aan voldoende eten te komen. Waar er
voor drie eten is, is er ook genoeg voor vier, maar zeventien mensen konden
natuurlijk naarmate de oorlog voortschreed niet voldoende voeding krijgen
van de steeds schameler voedseldistributie. Nico nam daarom een volkstuin
en huurde bij een bevriende boer een stuk grond, waarop hij bijna dagelijks
te vinden was om aardappels en groente te verbouwen. Het zorgde er in
ieder geval voor, dat de onderduikers in leven konden blijven.
Iets
beter werd het, toen de Noordhof's in contact kwamen met het georganiseerd
verzet, met name met Frans van Westen, het hoofd van de nabij gelegen
Koningin Emmaschool. Hij voorzag hen van distributiebonnen, zodat bij
de winkeliers eten en andere eerste levensbehoeften gehaald konden worden.
Maar ook daarbij was er weer een probleem. Het zou te zeer opvallen, als
de Noordhof's voor veel meer dan voor de drie hoofdbewoners zouden inslaan.
Daarom werden verschillende winkeliers bezocht: dus steeds enkele bakkers
en enkele groenteboeren, waar telkens voor drie of vier personen werd
gekocht. Atie en haar vader belastten zich met deze taak, evenals later
een van de onderduikers, die zich wegens zijn weinig joodse uiterlijk
kon voordoen als een oude vriend van Atie's vader.
De
situatie werd wel erg nijpend, toen in het najaar van 1944 gas, water
en elektriciteit nagenoeg werden afgesloten. Toch slaagden Atie en Nico
geholpen door hun onderduikers erin voedsel op tafel te krijgen, al was
het soms weinig. 'Het jaar spoedde weer ten einde en de oudejaarsavond
werd gevierd zonder oliebollen, ... Boter, margarine of vet kregen we
al lang niet meer, zoodat we het kleine stukje brood, dat meer op klei
dan op boord leek, droog opaten.', zo schetste Nico oudejaarsavond 1944.
|
|
|
|
|
|
Zeventien
mensen in een huis met elke dag het gevaar van ontdekking op de loer moet
voor spanningen hebben gezorgd. Dat bevestigen ook de verhalen van de
onderduikers. Soms ging de ruzie om niks, zoals het gooien met een aardappel
tijdens de dagelijkse schiluren. Telkens werden die ruzies weer uitgesproken,
maar op de achtergrond was er het dreigement geuit door Van Westen: "Wie
dat nog eens doet, gaat eruit.
Toch
ging het al die jaren wonderbaarlijk goed. De voormalige onderduikers
schreven dit toe aan het sterke karakter van Atie en Nico, maar ook aan
de vele activiteiten die werden georganiseerd. Zo waren er bridge-avonden,
leerde men elkaar vreemde talen, werd er een krantje gemaakt onder de
titel: Houdt-moet. Alles gaat voorbij, ook dit. Ook werden er muziekavonden
georganiseerd - waarbij natuurlijk niet kon worden geklapt voor de uitvoerenden
- , luisterde men naar de verstopte radio of werden lezingen gehouden,
bijvoorbeeld over de strijd van Nederland tegen het water. Verder werden
de onderduikers ingeschakeld bij het huishoudelijk werk (de mannen schilden
de aardappelen, de vrouwen kookten) en bij illegaal werk voor Vrij Nederland
en type werk voor de LO.
|
|
|
|
|
|
Afgezien
van de gevaren van ongenood bezoek, waren er meer dreigingen van ontdekking.
Er kwamen nieuwe buren, waarvan men niet wist of ze te vertrouwen waren.
Eind juli 1943 waren er razzia's van de Grüne Polizei. In de nabijgelegen
Emmaschool werden op het eind van de oorlog Duitse soldaten gelegerd.
Ze zochten ook kamers in de huizen rond de school, maar stopten daarmee
bij de buren van de Noordhof's. Huizen aan de overkant van de straat werden
gevorderd en toen SA-ers moesten worden ondergebracht, werd ook juist
P.C. Hooftstraat 18 overgeslagen.
Maar
ook nam Nico deel aan het verzet. Zo 'verloor' hij eens opzettelijk zijn
persoonsbewijs, zodat dit gebruikt kon worden door de illegaliteit. Ook
hielp hij bij het in kaart brengen van Duitse stellingen rond Zwolle.
Toen Van Westen moest onderduiken, nam Nico een deel van zijn illegale
activiteiten over.
In
de winter van 1944-1945 werd het westen afgesloten van de rest van het
land. Toen daarop de hongersnood uitbrak, bedachten Nico en Atie zich
geen moment en gingen op weg om familieleden in het westen van eten te
voorzien. Nadat de IJsselbrug bij Zwolle was afgesloten, kwamen de transporten
van kinderen op gang. Zij werden vanuit het westen naar het oosten gebracht
om daar aan te sterken. Nico was in Zwolle één van de coördinatoren en
schakelde daarbij ook de onderduiker in, die doorging voor de vriend van
zijn schoonvader.
|
|
|
|
|
|
Op
14 april 1945 was het dan zover: Zwolle was bevrijd. 's Middags om 3 uur
waagden de onderduikers in de P.C. Hooftstraat zich weer op straat, voor
sommigen voor het eerst na jaren. 'Het mooiste moment uit ons leven; nooit
zullen we dat vergeten', zo schreef Nico. Na jaren van spanning en inspanning
was een einde gekomen aan het gedwongen verblijf binnenshuis van de onderduikers.
Tot grote verbazing van de buurt - waar sommigen wel een vermoeden hadden
dat er onderduikers waren bij de Noordhof's, kwamen er veertien mensen
naar buiten. De vreugde werd getemperd door de onzekerheid over het lot
van de familieleden van de onderduikers. De vrees over hun lot zou in
de loop van de maanden na de oorlog zekerheid worden.
|
![]() |
|
|
|
|
zo richtte Nico zich in zijn geschrift tot zijn landgenoten die te bang
waren geweest om joden te herbergen. Hij en zijn vrouw huldigden het standpunt,
dat bangheid geen reden mocht zijn om de plicht van naastenliefde naast
zich neer te leggen. "Ik wijs er met nadruk op, dat wij geen helden waren,
noch zijn, maar doodgewone burgers zonder soldatenhart, zo besloot hij
zijn samenvatting van de brieven aan zijn broer. Nico weigerde een hem
van wege zijn daden aangeboden promotie, evenals een lintje. Al in 1953
overleed hij, na een slepende ziekte. Atie overleefde hem dertig jaar.
|
|
|
Tijdens
de jaarlijkse herdenkingen in 1990 werd op hun huis aan de P.C. Hooftstraat
een bordje aangebracht, waarop in het kort stond te lezen wat er in het
huis was gebeurd gedurende de oorlogsjaren. Op initiatief van een van
de onderduikers, Dries van Loggem, verzamelde Paul Harmens van de Stichting
Collectie Zwolle 1940-1945 de afgelopen maanden informatie om Atie en
Nico Noordhof postuum voor te dragen voor de Yad Vashem-onderscheiding:
de hoogste onderscheiding voor niet-joden die gedurende de oorlog hun
leven waagden om joden te helpen. Op 21 januari van dit jaar werd besloten
dat Atie en Nico Noordhof deze onderscheiding onder de titel 'Rechtvaardigen
onder de volkeren' werd toegekend. Hun namen zullen worden bijgeschreven
op de Muur van Rechtvaardigen in Jeruzalem en later dit jaar zal de onderscheiding
postuum worden uitgereikt.
Zo
zullen deze onvoorwaardelijke heldendaden van naastenliefde van enkele
'doodgewone' burgers voor de toekomst worden vastgelegd. Zodat nooit vergeten
wordt, wat zij hebben gedaan voor de verdrukten en vervolgden. Zodat zij
een voorbeeld zullen zijn voor velen. Dat laatste zou henzelf, die niet
taalden naar roem, nog het meest aanspreken.
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Igor
Cornelissen en Wil Cornelissen, 'Veertien onder één dak: de joodse onderduikers
van Atie en Nico Noordhof' in: Vrij Nederland 51 (5-5-1990)
|
|
|
N.C.
Noordhof, 'Joodse onderduikers in P.C. Hooftstraat 18 te Zwolle' in: Zwols
Historisch Jaarboek 3 (1986) 88-115
|
|