Eten in oorlogstijd

Tot de bekende beelden uit de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog behoren die van mensen in rijen wachtend bij winkels of voedseluitdeelpunten. Er heerste schaarste en er heerste honger. Wat dat betreft is er nog niets veranderd. Ook vandaag komen we dat soort beelden tegen in de krant of op televisie. Want waar oorlog gevoerd wordt, duikt vandaag of morgen het tekort aan eten op. Voor oorlogsvoering is geld nodig dat niet besteed kan worden aan andere doeleinden. Oorlogsvoering staat ook de produktie van eten en het vervoer ervan in de weg. En oorlog verandert vruchtbaar land in een slagveld. Vandaar de wachtende rijen: zolang er een rij is, is er hoop op het verkrijgen van eten, ook al is het weinig.

Direct na de mobilisatie in de zomer van 1939, besloot het Nederlandse kabinet tot het invoeren van het zogenoemde distributiestelsel. Hierdoor kon de schaarste zo eerlijk mogelijk verdeeld worden. Naast een geldbedrag als betaling voor goederen, moest men ook een bon inleveren. Zo raakte een groot aantal produkten zoals dat heette "op de bon. Het ging vooral om voedingsmiddelen, maar ook bijvoorbeeld om textiel, schoenen, zeep en lucifers. De distributie heeft nog tot enkele jaren na de oorlog bestaan, omdat de schaarste met het einde van de oorlog niet direkt verdween. Suiker - in 1939 als eerste op de bon - was het laatste produkt dat eind jaren '40 nog niet zonder bon verkrijgbaar was.
De Rijksoverheid nam in het voorjaar van 1941 het initiatief om overal in den lande noodkeukens te openen. Gemeentes werden opgeroepen dergelijke keukens in te richten, waarbij werd opgemerkt dat de keukens zo eenvoudig mogelijk gebouwd moesten worden; liefst van hout. Zo kon zoveel mogelijk geld ten goede komen aan het verstrekken van warme maaltijden. Verwachte moeilijkheden met de voedselvoorziening en het bevorderen van een zuinig gebruik van de schaarse voedingsmiddelen waren de redenen om tot het inrichten van noodkeukens over te gaan. De maaltijden zouden zoveel mogelijk in overeenstemming met de geldende voedingsleer worden samengesteld: dus voldoende vet, vezels en voedingswaarde. De Zwolse Centrale keuken opende op 24 april 1941 haar deuren.

De maaltijden werden niet contant betaald. Ongetwijfeld was dit bedoeld om snelheid bij de uitdeling van de maaltijden te garanderen. Bij inlevering van vier vleesbonnen, een halve vet of boterbon en een kwart peulvruchtenbon kreeg men een knipkaart. Op vertoon van die knipkaart kon men of wel een dagkaart à 13 of 25 cent krijgen, of wel een halve weekkaart aanschaffen. In beide gevallen werden er vakjes op de knipkaart ongeldig gemaakt door een knipje. De maaltijden konden ook thuis worden bezorgd à 30 cent per week. Twee Zwollenaren kregen van de gemeente toestemming de maaltijden per bakfiets naar de klanten te brengen.

De Centrale Keuken in Zwolle was in beginsel in staat om 6000 porties per dag te leveren aan de bevolking. Dit kon eventueel worden opgevoerd tot 12.000 porties per dag indien er twee keer gekookt werd. Het eten werd niet alleen uitgeleverd aan de Nieuwe Markt. Er waren aanvankelijk ook uitdeelposten ingericht in de Tweede Weidjesstraat, de Vechtstraat en de Musschenhage. In speciale gamellen werd het eten daarheen vervoerd en daarna uitgedeeld. Later werd nog een uitdeellokaal aan de Rembrandtlaan in gebruik genomen. In de begintijd vonden veertien mensen werk in de Centrale Keuken en de uitdeelpunten: een bedrijfsleider, twee koks, twee stokers en negen caissières.

Hoewel er in 1941 in totaal zo'n 168.000 porties geleverd werden, betekent dit teruggerekend maar ongeveer 950 porties per dag; veel minder dus dan waarmee rekening gehouden werd. De Centrale Keuken draaide dan in dat jaar ook met verlies. Blijkbaar was de nood onder de Zwollenaren nog niet zo hoog gestegen en konden zij zich op andere wijze van voedsel voordien. Zwolle lag immers te midden van een land- en tuinbouwgebied en de aanvoer van voedsel zal de eerste tijd niet al te problematisch geweest zijn.In de loop van de jaren zou echter de behoefte aan de warme maaltijden van de Centrale Keuken stijgen. De maaltijden werden vanaf eind 1941 ook via fabrieken verstrekt. Op deze wijze werden de werknemers voorzien van een voedzame maaltijd en waren zij dus in staat hun werk naar behoren te verrichten. Het aantal porties dat werd uitgereikt steeg tot zo'n 2000 per dag. Tot september 1944 zou tussen de 3,5 en 5% van de Zwollenaren dagelijks een warme maaltijd van der Centrale Keuken betrekken. Nog steeds bleek de voedselsituatie niet nijpend. Daar kwam bij, dat er in Zwolle ook volkstuintjes in gebruik genomen worden om zelf nog wat groente of aardappelen te verbouwen. Ook menig achtertuintje zal hiervoor gebruikt zijn.

In de voorschriften van het rijk uit 1941 werd uitgegaan van een grote variatie in het door de Centrale Keuken uit te delen eten. In Zwolle werden er, afhankelijk van de grondstoffen, zes menu's aangeboden, liefst bestaande uit aardappels, vlees en groente. Naarmate de oorlog vorderde nam de variatie af en ook de hoeveelheid van de verschillende ingrediënten. De gemeente legde wel een zo groot mogelijke voorraad groente, aardappelen en peulvruchten aan en sloeg deze onder andere op in molen De Passiebloem. Desondanks werd er zuinig met de grondstoffen omgesprongen. Groenten en aardappelen werden zo kort mogelijk gekookt, schillen of schrapen werd zoveel mogelijk voorkomen en groentenat werd gebonden, zodat de vitamines en voedingswaarde zo optimaal mogelijk werden benut.

Pas na de zomer van 1944 groeide het aantal dagelijks porties snel. Dit kwam ook, doordat de Organisation Todt - die in Zwolle en omgeving verdedigingswerken aanlegde tegen de naderende geallieerden - maaltijden afnam voor de werkers en gravers. Om toch voor de eigen bevolking voldoende maaltijden te kunnen bereiden, werden noodkeukens ingericht in melkfabriek De Eendracht in de Berkumstraat, de Blokmelkfabriek in de Kamperpoort en in het gebouw van de Noordoostpolderwerken aan de Vondelkade. Voor een noodkeuken in Assendorp werden voorbereidingen getroffen. Het aantal medewerkers bedroeg in februari 1945 al ruim 80. Per dag werden er dan soms ook ruim 15.000 porties bereid en uitgedeeld, wat betekent dat naast de werkers van de Organisation Todt bijna een kwart van de Zwolse bevolking gevoed werd met de maaltijden van de Centrale Keuken en de noodkeukens. Niet alleen het gebrek aan voedsel als gevolg van de slechte oogst van 1944 en de slechte weersomstandigheden deed de behoefte aan warme maaltijden van de Centrale Keuken groeien, maar ook de schaarste aan brandstof - gas werd nog maar twee maal per dag 30 minuten verstrekt - en de stroom vluchtelingen die opgang gekomen was in de Hongerwinter. Daarbij kwam dat de Duitse bezetter steeds meer voedsel vorderde ten behoeve van de oorlogvoering.

De kwaliteit van het eten was inmiddels echter achteruit gegaan. De hoeveelheid vlees per portie was gedaald, terwijl de hoeveelheid aardappels relatief groeide. Over het geheel genomen daalde de hoeveelheid vast voedsel in de porties. Het vet was vervangen door melkpoeder, waardoor de houdbaarheid beperkt werd: het eten werd gauw zuur.
Vrouwen lopen op de hoek van het Gasthuisplein op weg naar de gaarkeuken op de Nieuwmarkt.
De kwaliteit van de andere voedingsmiddelen liet in deze maanden ook ernstig te wensen over. Per persoon waren er per dag slechts enkele plakken beschikbaar van wat doorging voor brood. Fruit en melk was er in deze winter ook maar in zeer beperkte mate. Toch kan niet gezegd worden, dat er in Zwolle een werkelijke Hongerwinter heeft plaatsgevonden zoals in het westen van het land. Hoewel menigeen met een rammelende maag zal hebben rondgelopen, gaat het te ver om te stellen dat in Zwolle mensen van de hinger zijn omgekomen. Zij die op hun zoektocht naar eten in de winter van 1944/1945 bij Zwolle de IJsselbrug overkwamen, werden in de stad opgevangen en werden voorzien van het nodige om weer verder te kunnen trekken. De eigen schaarste kon dus nog gedeeld worden met anderen.

De eerste weken na de bevrijding van Zwolle op 14 april verbeterde de voedselsituatie nauwelijks. Pas na juni 1945, toen de oorlog in Europa definitief was beslecht, kwam het verkeer weer op gang en kon de eerste oogst plaatsvinden. Gas en electriciteit werden nog steeds mondjesmaat geleverd, zodat er nog steeds behoefte bestond aan maaltijden van de Centrale Keuken. Pas in december 1945 werd de Centrale Keuken gesloten, mede omdat het gebouw en de gebruiksvoorwerpen zwaar verwaarloosd waren.

© Jaap Hagedoorn

Bronnen:
Als een strootje in de maalstroom - Zwolle tijdens de tweede wereldoorlog (Zwolle 1985) en Kees Ribbens, Bewogen jaren. Zwolle in de Tweede Wereldoorlog (Zwolle 1995)